Flex of vast: Dat is een oneigenlijke discussie.

De discussie in de politiek over flex of vast is een oneigenlijke discussie. Er is namelijk geen tegenstelling. Het gaat over dezelfde arbeidsmarkt, dezelfde banen, dezelfde mensen. Laten we dus de medewerker centraal stellen. En niet de contractvormen. Alleen zo komen we dichter bij individueel werkgeluk, collectief welzijn en een beweeglijke arbeidsmarkt.

De arbeidsmarkt staat aan het begin van een transformatie. Tegenstellingen in de maatschappij zijn door corona versneld toegenomen en alleen terug te dringen door rigoureuze veranderingen. Commissie Borstlap en de SER deelden recent hun visie hierop. Een gezamenlijke aanpak van alle betrokken stakeholders in de arbeidsmarkt is noodzakelijk om tot een inclusieve arbeidsmarkt te komen, zo stelt de commissie. Dat moet een dynamische markt worden met gelijke in- en uitstapmogelijkheden voor iedereen en waarin de ontwikkeling van de mens centraal staat. Hier ligt een duidelijke rol voor de politiek. Dit moet hoog op de agenda van het nieuwe kabinet.

Drie contractvormen

Commissie Borstlap spreekt in haar rapport over drie ‘rijbanen’: werknemers met een contract voor (on)bepaalde tijd, zelfstandigen, en werknemers die op uitzendbasis tijdelijk werk verrichten. Alles draait hierbij om de werkende zelf en zijn of haar ontwikkeling. En iedereen moet gelijke toegang hebben tot kennis, training on the job en moet de mogelijkheid hebben zichzelf te kunnen blijven ontwikkelen zodat er altijd kansen zijn op nieuw werk. Daar komt bij dat het SER-advies ook benadrukt dat werknemers inkomenszekerheid moeten krijgen zoals recht op hypotheek, pensioenopbouw en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Een middel, geen doel

Kortom: meer aandacht voor de ontwikkeling van de medewerker en meer zekerheid. Dat is in de kern waar het SER-advies over gaat. Een mooi streven. Maar wel één met een duidelijke kanttekening. De focus in het SER-advies ligt namelijk op de contractvormen die horen bij de drie ‘rijbanen’. Maar dat is nu net waar de focus wat ons betreft níet op moet liggen. Het contract is een middel geen doel. Dat heeft de arbeidsmarkt ons het afgelopen jaar wel laten zien. Hele sectoren zijn als gevolg van de pandemie tot stilstand gekomen en andere enorm gegroeid. Op zo’n moment is de toegevoegde waarde van flex heel duidelijk gebleken.

Het maakt zowel ondernemingen als uitzendkrachten wendbaar. De flex-sector speelde tijdens de pandemie dan ook een grote rol in de mobiliteit op de arbeidsmarkt. Het zorgde ervoor dat mensen die hun baan verloren, weer aan het werk konden en zichzelf konden blijven ontwikkelen. De contractvorm is hierbij ondergeschikt.

Oneigenlijke discussie

Toch gaat het in de politiek wél vaak over flex of vast. De argumenten zijn daarbij steeds dezelfde. Het gaat ofwel over kosten en risico’s voor bedrijven ofwel over bescherming van medewerkers. Het is maar net van welke kant je het bekijkt. De discussies zijn steeds dezelfde zonder dat er echt bruggen worden geslagen. Dat is frustrerend en past niet bij een goed functionerende arbeidsmarkt. Waar het om gaat is dat mensen op verschillende manieren onder verschillende voorwaarden werken: als flexkracht, in vaste dienst of als ZZP-er. Soms, en misschien wel steeds vaker, zelfs tegelijkertijd. Er is dan ook geen tegenstelling tussen flex en vast. Het gaat over dezelfde arbeidsmarkt, dezelfde banen, dezelfde mensen. Laten we dus de mens, de medewerker centraal stellen.

Een vast contract kan de ontwikkeling ook remmen

Het echte vraagstuk dat post-corona bovenaan de politieke agenda moet staan is: Hoe gaan we ervoor zorgen dat werkgever en werknemer aantrekkelijk zijn voor elkaar? Hierbij staat niet de contractvorm, maar het werkgeluk centraal. Een vast contract is namelijk niet zaligmakend. Dat heeft de crisis wel duidelijk gemaakt. Het is geen garantie op een leven lang werk. Sterker nog, een vast contract kan zelfs een belemmering vormen voor een werkende om actie te ondernemen om zichzelf verder te ontwikkelen. Vaak blijven mensen zitten in een baan en komen ze pas écht in actie wanneer deze stopt.

Rijbanen met in- en uitvoegstroken

Ik pleit er dan ook voor om naast de drie ‘rijbanen’ voor voldoende in- en uitvoegstroken te zorgen. Anders missen we de dynamiek die nodig is voor de doorontwikkeling van werkenden. Daarbij is het goed dat iedereen gelijke kansen heeft om te kiezen voor een andere contractvorm, mocht dat op een bepaald moment beter passen bij de fase van ontwikkeling van de persoon in kwestie. En wanneer een werkende voor een ander contract kiest, dan het liefst zonder dat dit direct consequenties heeft voor basisvoorzieningen zoals hypotheek en pensioen. Alleen dan kan iedereen z’n eigen route bepalen en kunnen we de arbeidsmarkt én flexibel houden en ervoor zorgen dat mensen geluk en ontwikkeling vinden in hun werkend leven.

Auteur: Kor Visser, franchisenemer Olympia Friesland